Toen verscheen Julia boven aan een venster. Haar bijzondere schoonheid scheen wel het raam te verlichten zoals het oosten wordt verlicht door de eerste stralen van de zon. Het leek Romeo alsof de maan, die een zwak licht wierp over de boomgaard, bleek werd van ergernis over de geweldige schittering van deze nieuwe zon. Zij stond daar met haar wang geleund op haar hand en hij wenste vurig een handschoen te zijn, zodra hij haar wang kon aanraken. Zij dacht natuurlijk dat ze alleen was en riep: ¿Wee mij!¿ Romeo was opgetogen dat hij haar hoorde spreken en hij zei zacht, zonder dat zij het kon horen: ¿O, spreek nog eens, schitterende engel, want zo zie ik u daar verschijnen boven mijn hoofd, als een gevleugelde boodschapper uit de hemel waar stervelingen nauwelijks naar durven kijken.¿ Onbewust van het feit dat ze werd gehoord en vol van de nieuwe liefde die het feest haar die avond had gebracht, riep zij de naam van haar geliefde, niet wetend dat hij vlakbij haar stond: ¿O Romeo,