Rond 1800 is het ziekenhuis nog niet het bolwerk van medische kennis en vernuft zoals we dat nu kennen. Het is meer een instelling voor armenzorg, een laatste toevluchtsoord voor zieken en gebrekkingen. Op gezette tijden komt de dokter of een heelmeester langs. Van gerichte therapie is geen sprake. Ook de verzorging is verre van optimaal. Rond 1900 verandert dat allemaal. Geschoolde verpleegsters doen hun intrede. De huisartsen gaan zich bemoeien met de behandeling van de opgenomen patiënten. Bovendien krijgt het ziekenhuis de beschikking over een operatiekamer, een aparte kinderafdeling, badkamers en een wachtruimte. Na de Tweede Wereldoorlog maken medische wetenschap en technologie een stormachtige ontwikkeling door. Diagnostiek en behandeling gaan een steeds voornamere plaats innemen in het ziekenhuis. De huisartsen/heelmeesters verdwijnen uit de ziekenhuizen, waar de verpleegsters het voor het zeggen hebben. Later worden dat de medisch specialisten en managers ... Ellen Boonstra