In deze omvangrijke, tweetalige bundel volgt de dichter een vogel op doorreis, niet alleen door de ruimte, maar ook door de tijd. Het zijn uitheemse plekken die de vogel aandoet. Maar begin en eindpunt van de reis zijn de zee, het wad boven Friesland. De zeventig sonnetten in deze bundel zijn even veranderlijk en eigenzinnig als de reis zelf. Nederlands en Fries wisselen elkaar af en gaan een boeiend gesprek aan. De Friese gedichten zijn voorzien van een Nederlandse vertaling.