De kerk verkondigt dat Jezus meer om het lijf heeft dan een toonbeeld van menselijkheid dat navolging verdient. Dat meerdere ligt besloten in zijn dood en opstanding. Maar hoe verwoorden we dat 'tegoed' zo, dat het ons werkelijk raakt? De traditie zegt: Jezus is de verzoening van onze zonden. Maar ervaren we dat als het diepste woord tussen hemel en aarde? Aan de andere kant: verliest verkondiging haar fundament niet, wanneer we noties als verzoening en plaatsbekleding opgegeven? Rond deze vragen zoekt de schrijver een spoor aan de hand van enkele voortrekkers uit het verleden en heden van de kerk: Anselmus, Gunning, Barth, Sölle en Wiersinga. Daarnaast komt de vraag naar het diepste woord voor mensen zoals Job aan de orde.