Vaak worden de controversiële discussies over geloven en weten vertroebeld door wederzijds onbegrip. L.M. de Rijk probeert door een nuchtere analyse van de sleutelbegrippen, en in het licht van het moderne denken (o.a de neurowetenschappen), enige helderheid te scheppen. Religiositeit mag niet met godgelovigheid worden gelijkgesteld en met godsdienst geassocieerd: God is niet de unieke bron van moraliteit. Beginselen mogen praktisch handelen dan wel stuwen, maar ze sturen dit niet. Ondanks hooggestemde verklaringen van het tegendeel gaat ieder in het handelen steeds uit van seculiere overwegingen. Hierin vinden de seculiere staat en maatschappij hun bestaansgrond en rechtvaardiging. Religiositeit berust ook niet op een wetenschappelijk aantoonbaar 'waar-zijn', maar op 'werkzaamheid'. Ten slotte behoedt de strikte erkenning van de formele onverenigbaarheid van wetenschap en religie beide voor overmoed. Theïstische waarheidspretenties en radicaal-atheïstisch onbegrip laten zich het