De afgelopen jaren is in Nederland en in Europa de verhouding tussenverschillende onderdelen van het veiligheidsbeleid en het veiligheidsbestuur sterk gewijzigd. Zowel nationaal als internationaal zijn in de prioriteiten op het gebied van veiligheid, en in de wijze waarop de met veiligheidsbeleid belaste overheidsorganisaties zijn ingericht, grote veranderingen doorgevoerd. In Nederland gaat het beleid van achtereenvolgende regeringen - daarin gesteund door de Staten-Generaal - niet meer uit van een verdediging van het grondgebied tegen een buitenlandse vijand ofdreiging, maar wordt het handhaven van de internationale rechtsorde centraal gesteld. Bij deze transformatie zijn de rechten van burgers op verschillende wijzen in het geding, of kunnen zij in het geding komen. In de eerste plaats de democratische rechten van de burgers om - via hun volksvertegenwoordigers - betrokken te zijn bij de besluitvorming over de krijgsmacht in internationale operaties. In de tweede plaats de