Gösta Berling beschrijft het leven aan het begin van de negentiende eeuw in Värmland, de romantische streek in Zweden met rotsen en watervallen, duistere wouden en langgerekte meren. Een stoet van onvergetelijke, eigenaardige mannen en vrouwen trekt in deze roman voorbij met als hoofdpersoon de uit zijn ambt gezette dominee Gösta Berling, een man vol paradoxen, aan de drank verslaafd, geliefd bij alle vrouwen, sterk maar ook zwak, geestig en romantisch, vrolijk en melancholiek. Samen met elf joyeuze cavaliers beleeft hij de meest vrolijke, ontroerende, lachwekkende maar ook tragische geschiedenissen.