Op een ochtend in juni 1911 arriveert een handjevol Chinese zeelieden in de havens van Rotterdam en Amsterdam. Ze zijn hierheen gehaald als goedkope arbeidskrachten. De Chinezen worden gehuisvest in loodsen, maar al snel vestigen zij zich op Katendrecht en in de 'Tong Yan Kai', 'de straat van de Chinezed, ofwel de Amsterdamse Binnenbantammerstraat. Voor het eerst wordt de Nederlander geconfronteerd met een exotische bevolkingsgroep. Een groep die in de loop van de eeuw zal uitgroeien tot een levendige gemeenschap die niet meer weg is te denken uit de samenleving. Toen cineaste en schrijfster Karina Meeuwse (Middelburg, 1961) besloot zich te verdiepen in de geschiedenis van de Chinese gemeenschap in Nederland, wist zij niet wat voor fascinerende en soms moeizame speurtocht zij voor de boeg had. Gedurende twee jaar sprak zij met talloze betrokkenen die haar stukje bij beetje toelieten in hun wereld. Ze vertelden over rijke boardinghousemasters, arme pindachinezen en romances met