Hannah is zes jaar als haar moeder sterft. Vanaf dat moment sluit haar vader zich af van de wereld. Hij hertrouwt met Roswitha en Hannahs leven begint weer vorm te krijgen. Alleen mag Hannah haar verjaardag niet meer vieren, doen ze niks met Kerst en mag ze niet met de kinderen uit haar klas spelen. Hannah is een getuige van Jehova. Nu is ze vijftien en de geborgenheid van haar jeugd begint een beklemmende muur te worden. Ze wil zijn zoals de andere kinderen in haar klas: normaal. Hannah eist haar vrijheid op, maar ze wordt tegengehouden door haar familie. Tot haar liefde voor Paul haar de moed geeft een stap te zetten naar de andere wereld.