In de achttiende eeuw nam de belangstelling voor de topografie in ons land een hoge vlucht. Dit kwam niet alleen tot uiting in de publicatie van vele boeken met plaatsbeschrijvingen, maar ook in de beeldende kunsten. Een klein leger van kunstenaars koos steden, dorpen, kastelen en buitenplaatsen tot onderwerp van hun schilderijen, tekeningen en gravures. Met name op het gebied van de tekenkunst resulteerde dit in een enorme productie, die in geen enkel ander land werd geëvenaard. Hoewel verschillende kunstenaars al tekenend het land door trokken, bepaalden de meesten zich voornamelijk tot het weergeven van een gebied of plaats. In Den Haag waren dat vooral de broers Paulus Constantijn, Jacob Elias en Karel la Fargue. Tezamen hebben zij honderden tekeningen en aquarellen nagelaten, die ons tonen hoe Den Haag en haar directe omgeving er in de pruikentijd uitzagen. Van de vele anderen die de hofstad gedurende de achttiende eeuw in beeld brachten moeten Cornelis Pronk, Jan ten Compe en