Tijdens een razzia in de Tweede Wereldoorlog worden twee Joodse kinderen door hun moeder verscholen achter struiken. In een wanhopige poging om ze te redden, krijgen ze de opdracht om naar familie in het noorden te vluchten. Nederland is bezet en de reis is vermoeiend en gevaarlijk. Ze moeten hun weg vinden in een land waar Joods zijn alleen al een misdaad is. Tijdens hun reis ontdekken ze hoe Nederlandse burgers de oorlog overleven. Met vallen en opstaan moeten ze leren wie ze kunnen vertrouwen. Een Nazi kan een vriend zijn en een Nederlander kan je uitleveren. Om te overleven moeten ze constant de vraag stellen; “Kan ik je vertrouwen?”