Kees-jan en zijn broer fred-dy heb-ben ie-der een ko-nijn. Ze he-ten snuf en roet-je. Ach-med, hun vriend, heeft ook een ko-nijn. Dat heet grijs-je. Op een dag gaan grijs-je en roet-je er van-door. De jon-gens zoe-ken over-al, maar ze vin-den de die-ren niet. Als ze de moed bij-na op-ge-ven, staat er een be-richt in de krant van de die-ren-op-vang! A.V.I. 3