In deze tekst staat de stelling centraal dat de door van God een enorm verlies is voor de moraalfilosofie. De pogingen om de moraal te denken los van het bestaan van God, geven dikwijls de indruk succesvol te zijn, maar wie dieper graag, botst op fundamentele problemen. De moraal is haar metafysisch kader verloren en probeert zich nu als een huis zonder fundamenten staande te houden. De façade staat nog overeind en voor wie er als voorbijganger niet lang bij stilstaat, is het huis van de moraal nog steeds intact. Achter en onder de façade echter is quasi alles weggeërodeerd. Voor wie de moraal in een seculiere context wil behouden dringen zich fundamentele denkwerkzaamheden op.