Junior stond boven op het dak van de schuur, wijdbeens met zijn armen gespreid. Aan zijn magere armen waren vleugels van ijzerdraad, oude lakens en nietjes bevestigd: eigen ontwerp. Zijn mond hing open. Zijn ogen waren gevestigd op een plek aan de andere kant van het korenveld waar hij hoopte te landen. Zo begint het boek over een bijzondere familie: moeder is onderweg naar een rodeoshow en pap zit in de plaatselijke gevangenis omdat hij 2.147 blikjes bier van zijn vrachtautootje op straat heeft laten vallen.