Ik heb oma ontmoet in het bos. Ze hing gebogen overeen boomtak. Haar blauwe druiven jurk zat over haar hoofd. Ik kon gewoon haar onderbroek zien, Oma heeft een kater die kan praten, dat is Sjoerd. Ze woont in een heel groot huis met paarse dakpannen en... ze heeft een... bergbrommer. In het begin zei ik mevrouw tegen haar.