'Ik ben naïef, een kleine zielenzoeker, een gevoelsmens voor wie het opvatten van genegenheid voor een persoon of voor een ding het aangenaamste geschenk is dat men in zijn leven kan krijgen.' Aan het woord is Luis Murguía, een van Pío Baroja's meest lucide alter ego's. In 'Ontaarde zinnelijkheid' schildert hij een lyrisch zelfportret in meedogenloze grijstinten, met als ondertitel: 'Liefdesproeven van een naïeve man in een decadente tijd.' We volgen Murguía als kind zonder wortels, als hitsige puber, als frauderende student, als vertwijfelde volwassene en als weemoedige vijftiger. Aan het begin van zijn levensavond kijkt Luis in verwondering om en komt hij tot de schokkende slotsom dat het hem voor een voller liefdesleven heeft ontbroken aan 'minachting en een zwarte baard'. 'Ontaarde zinnelijkheid', verschenen in 1920, is het derde deel van de trilogie 'De steden'. In het eerste deel, 'Caesar of niets' (1910), onderwerpt de Nietzscheaanse held