‘op mijn rug rust de wind’, bevat drie lezingen van Lucebert uit het jaar 1949, tot nog toe niet in boekvorm gepubliceerd: twee in het Stedelijk Museum te Amsterdam en een voor de studenten van het IKNO Amsterdam, voorloper van de Rietveld Academie. Lucebert laat zich hierin uit over zijn eigen gedichten, wat hij zo expliciet vrijwel nooit deed. De wat langere lezing voor de kunststudenten is bijzonder, omdat hij aan de hand van twee tot dan toe nog niet gepubliceerde gedichten (Christuswit en Zonnerijzedans), zichzelf plaatst als dichter: niet hemels, niet aards maar hels. Deze lezing zou je kunnen zien als een eerste ontwerp voor de poëtische orde van de (jonge) Lucebert. Hij zegt: Ik stel voor de formule hemels-aards dichterschap te completeren met het helse. De sterkste representanten van de hedendaagse dichtkunst kan men gerust een hels dichterschap toedichten. Hun sentiment is niet dat van de hemelse dichter, dat van het verlangen, van de heimwee naar het paradijs, het