Alles wees erop dat de franciscaan John B. Knipping was voorbestemd voor een briljante academische carrière. Het proefschrift, waarop hij cum laude promoveerde, gold al meteen als een standaardwerk. Hij werd een toonaangevend kunsthistoricus, een begenadigd auteur en een veelgevraagd spreker, die zijn publiek steeds wist te verrassen. Studenten droegen hem op handen, doceren zat hem in het bloed. Toch werd Knipping tot twee keer toe afgewezen voor een hoogleraarschap aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen. De bisschoppen apprecieerden de bohemienachtige levensstijl en de naar hun smaak al te vrije omgang met vrouwen van 'pater Knipping' niet. Maar er was meer. Degenen die hem van nabij meemaakten, kenden twee Knippings: een charismatische, die leven in de brouwerij bracht en zijn omgeving wist te bezielen; die in het laatste oorlogsjaar de vluchtelingen in de schuilkelders van het Nijmeegse franciscanenklooster onder moeilijke omstandigheden met muziek, voordrachten en