Klaas en Kees, een tweeling, en hun jongere broer Gerson spelen al heel lang, en heel vaak, zwart: een zoekspel waarbij de belangrijkste regel is dat ze hun ogen niet mogen opendoen. Op een zondagochtend in mei stappen ze met Daan, de hond, in het autootje van hun vader Gerard. Ze gaan op bezoek bij opa en oma. Op een kruispunt, midden tussen de boomgaarden, komen ze in botsing met een andere auto.'Gerson zat gewoon rechtop in zijn stoel. De rechterdeur zat als het ware om hem heen gevouwen. Een gedeelte van het dak, een ijzeren stang, was in stukken gebroken en rustte op zijn hoofd. Of misschien wel in zijn hoofd, dat konden ze vanaf de achterbank niet goed zien. We wilden het ook niet zien. [...] Hij zat muurvast. Schreeuwen deed hij niet, en huilen evenmin. Hij zei heel zachtjes: 'Au'. Pas anderhalve week later zou hij weer iets zeggen.'Daarna is er niets meer zoals het was, en zal Gerson zijn hele verder leven zwart moeten spelen. Maar wil hij dat wel? Klaas en Kees zetten alles