Psychotherapie heeft een belangrijke plaats verworven in de maatschappij. De vragen over de aard van deze discipline zijn gebleven: wat wil de psychotherapie bereiken en welke methode moet worden gevolgd? Deze fundamentele vragen komen steeds meer aan de orde in een confrontatie met oosterse bevrijdingstradities, zoals advaita vedanta en boeddhisme, die gericht zijn op een radicale opheffing van geestelijk lijden. Deze wordt mogelijk geacht als de identificatie met een beperkt standpunt (ik, persoon) verdwijnt en oplost in een sfeer van non-dualiteit (de afwezigheid van scheidingen, advaita, advaya). Daarbij worden de centrale plaats van het ¿ego¿ en noodzakelijk geachte scheidingen zoals die tussen ik en wereld als essentiële uitgangspunten van de westerse psychotherapie verworpen. Beide terreinen overlappen elkaar echter voldoende om een vergelijking mogelijk te maken. Dat gebeurt in de verschillende hoofdstukken in dit boek. De vergelijking is zinnig, omdat zij