In het gezin is Tommie de grote broer. Hij is zes jaar en in de herfst gaat hij naar groep drie. Boet - die eigenlijk Martin heet, maar iedereen noemt hem Boet - is de kleine broer. Hij gaat in de herfst voor het eerst naar groep een. En dan is er nog Baby-Lotte, het piepkleine zusje. Op een zomerse middag vraagt papa of Tommie een paar minuten op Boet en Baby-Lotte wil passen. Hij is immers de grote en verstandige broer. Maar als papa net weg is, begint Baby-Lotte oorverdovend te huilen. Tommie probeert van alles: zingen, wiegen, een flesje... maar het huilen houdt niet meer op. Broertje Boet zal zijn grote broer eens helpen. Maar op deze hulp zit Tommie helemaal niet te wachten.