Een dichtersleven vereist, in het beste geval, een lange adem. Ook mag de dichter niet meteen op alles applaus verwachten. Marleen de Crée is gelukkig een dichter die zich nergens wat van aantrekt. Niet van modes (die zijn voorbijgaand), niet van voorschriften (die zijn er om omzeild te worden) en niet van literair-politiek gekonkelfoes (daarvoor is zij te recht-door-zee). Het heeft haar gemaakt tot de dichter die via deze uitgave de Parnassus op wordt geduwd. Tussen boog en snaar is een bloemlezing van elementaire gedichten, elementair omvat hier wat sinds de pre-socratici de oerelementen van de kosmos en het leven zijn genoemd: aarde, lucht, water en vuur. Die elementen zijn wortels van De Crée’s poëzie. De tegenstellingen licht en donker, dag en nacht, zon en maan worden metaforen voor de aantrekking en de afstoting, de afwisseling van warmende en verkillende momenten in menselijke relaties, de fusie en de distantie van de liefde. In de gedichten van