Nederland nam in de negentiende eeuw een tweeslachtige internationale positie in: binnen de Europese verhoudingen gold het als een mogendheid van de tweede rang, mondiaal kon het bogen op de status van koloniale grootmacht.Voor de bescherming van het uitgestrekte koloniale bezit in de Indische archipel tegen interne en externe bedreigingen was een respectabele legermacht onontbeerlijk. Dit Oost-Indische leger, later beter bekend als het Koninklijk Nederlands- Indisch Leger (KNIL), kon ondanks de aantoonbare onmisbaarheid evenwel niet rekenen op een grote populariteit. Het werd in Nederland in het algemeen beschouwd als een noodzakelijk kwaad, ondergeschikt aan de succesvolle exploitatie van de overzeese bezittingen.Andersom gold de ‘traditionele Hollandse kruideniersgeest’ in kringen van het Oost-Indische leger als één van de ernstigste beletselen bij het verantwoord uitvoeren van de militaire taken.Tegen deze achtergrond is het interessant om na te gaan hoe het transport van