In de handboeken over de geschiedenis en kunst in Belgie wordt terecht nadruk gelegd op het werk van de Vlaamse primitieven, waarvan Jan Van Eyck en de Meester van Flemalle de eerste vertegenwoordigers zijn. Men omschrijft hun kunst als een ars nova, een nieuwe kunst. Weinigen maken zich echter druk over de vraag of deze hooggeprezen artistieke produktie zomaar uit het niet kon ontstaan. Men is zelfs van oordeel dat de kunst in Vlaanderen tijdens de voorafgaande periode, omstreeks 1400, van gering belang was. Deze fase in de kunstgeschiedenis vormt daardoor een blinde vlek. Overtuigd dat die witte vlek en die onderschatting het gevolg zijn van een gebrek aan de juiste vraagstelling en voldoende opzoekingen, ondernam het Studiecentrum Vlaamse Miniaturisten (KU Leuven) een onderzoek naar de kunst uit die periode, toegespitst op de boekverluchting. Dit toonde aan dat de miniatuurkunst door zijn innoverend karakter in iconografisch en stilistisch opzicht en door zijn realistische