In Wenst wisten ze dat er buiten het dorp en de eindeloze akkers die het omringden vele andere werelden moesten bestaan, die af en toe teer en trillend als een fata morgana boven de horizon van de verbeelding konden verschijnen of 's nachts als verre verontrustende droomgezichten in de slaap. Overdag, in het harde licht van de werkelijkheid bestonden ze hoogstens in de boeken die een enkeling in zijn kast had staan of in de atlas van Eylert Schering; je kon ze ook in de krant tegenkomen, in de bladen van de leesportefeuille of soms als een stem uit de radio, maar voor wie geen krant las en niet naar de radio luisterde - en dat waren er genoeg - bleef de wereld buiten Wenst niet meer dan een verre luchtspiegeling, waarover af en toe in Veenlust een passant wist te vertellen of anders wel een van de weinigen die ooit uit Wenst waren vertrokken en met peinzende blik in de ogen weerom waren gekeerd. Wie zijn voorbeeld wilde volgen, bracht het vaak niet verder dan de Stad, zoals in de