Op 5 januari 1962 noteert Frida Vogels in haar dagboek dat het afgelopen jaar een kenteringsjaar is geweest. In de eerste jaren van haar italiaanse huwelijk heeft ze vergeefs geprobeerd zich aan haar nieuwe omgeving aan te passen; tegelijkertijd voelde ze zich wegdrijven van haar Nederlandse achterban. Ze is in een isolement beland en beseft nu duidelijk dat ze dat ook wil: verschanst achter een tafel, met pen en papier. De ontluisterende ziekte en dood van een Italiaanse oom, in de patriarchale dorpsgemeenschap waarin haar man is opgegroeid de centrale figuur van de familie, wordt het onderwerp van haar eerste boek, Kanker. Zij gaat daarin de confrontatie aan met haar machteloosheid in een wereld, beheerst door elementaire impulsen waarvan ze tot voor kort het bestaan niet eens vermoedde, maar die de wereld is van haar man. Het schrijven ervan zal Frida Vogels vier jaar kosten maar het geeft haar zelfvertrouwen voor een hele reeks nadere plaatsbepalingen: tegenover de vrienden en