In 'De wereld heeft geen overkant' toont Klaas Jager diverse vormen van vergankelijkheid. Of, zoals hijzelf dicht: 'Lieve liefste, ik doe maar alsof ik schrijf in het besef dat niets blijft'. Verleden, heden en toekomst wisselen elkaar schijnbaar achteloos af, of gaan in elkaar over op het trefpunt waar iemand zich bevindt. Hij poogt een uitweg te vinden, maar 'zit vast in de maalstroom van herhaling'. Heimwee is er naar de jeugd 'toen alles ogenschijnlijk vanzelf ging'. Weinig lijkt bestand tegen de tijd: 'een gestaag dieper wordende kloof, waaruit op zekere dag geen herinnering meer terug te halen is'.En toch blijken de beelden die Klaas Jager oproept haarscherp. De lezer ziet het roodharige buurmeisje hallucineren doordat ze de peulen van een goudenregen at, ziet hoe het gras in september begerig groeit maar tegelijkertijd dunner wordt en aanschouwt het ouderlijk huis: 'een toegedekt gat zonder muren en dak'. In deze bundel maakt de dichter iemand zichtbaar, 'het moment waarop hij