Heeft het religieuze bestaansrecht in een "post-theïstisch" tijdperk? vragen denkers als Habermas, Adriaanse en Derrida zich af Kierkegaards visie op geloven blijkt licht te werpen op dit vraagstuk. Mensen hebben volgens Kierkegaard de drang de eigen omgeving en het eigen leven zoveel mogelijk onder controle te krijgen, wat leidt tot een calculerende manier van leven en een voortdurend zich vergelijken met anderen. Kierkegaard stelt daar een vorm van religiositeit tegenover, met als kernpunt de wording van het verantwoordelijke Zelf Wie zo gelooft ziet af van eigenmachtigheid en macht over anderen. Dit geloof is een existentiële beslissing, en slechts onrechtstreeks mededeelbaar aan anderen. Het is een sprong over de grens van het beheersbare. Wie 'gelooft als noodweer' leert vasthouden aan objectieve onzekerheid en weet dat hij tekortschiet. Toch is dit geloof geen willekeur: het kritische verstand begeleidt de weg ernaartoe. Tegelijkertijd opent deze manier van geloven