De hoofdstroom van het westerse denken werd eeuwenlang gekenmerkt door een sterke subjectiviteit: het eigenmachtige subject zou vanuit rationele vermogens leven en wereld vorm en zin geven. Beheersbaarheid, maakbaarheid en zekerheid waren de trefwoorden. Met het denken van Martin Heidegger is deze cartesiaanse rationaliteit radicaal ter discussie gesteld. Het subject verschijnt niet langer als louter autonoom, maar als 'geworpen' in een wereld. Marc Van den Bossche noemt dit een pathos, iets wat ons al vooraf gegeven is en waarover wij niet vanuit een vermeend radicale vrijheid kunnen beschikken. De auteur pleit voor een openstaan voor dingen die ontsnappen aan ons berekenende denken: stemmingen, het eigen lichaam, erotiek, het oor hebben voor de ander, de pluraliteit van de wereld. Denken is zoeken en tasten. We stappen in een gesprek dat al gaande was. Dat gesprek is er één over een meervoudigheid aan vormen om het leven betekenis te geven en om betekenis te verstaan die al