De Eerste Wereldoorlog is voorbij en de roaring twenties staan op uitbreken. Het is de tijd dat Hitler zich, berooid en nog onbekend, zonder succes probeerde te vestigen als kunstschilder in Wenen en Munchen. Daar leeft hij van de hand in de tand, verblijvend bij vage kennissen of in armoedige pensions. Op de pleinen en in de cafés treft hij gelukzoekers, sjacheraars, heel en halve kunstenaars, soldaten, studenten, revolutionairen en misdadigers. Het is een amalgaam van boheme en zelfkant waarin één stemming overheerst: de zucht naar het anti-burgerlijke, het tegendraadse, het afvallige en afwijkende.In dit klimaat van armoede en decadentie werd het wereldbeeld van Adolf Hitler gevormd. Wie waren zijn vrienden? Wie hebben hem beinvloed, op weg geholpen, onderdak verleend, in contact gebracht met anderen? In Hitlers intieme kring wordt deze periode uiterst nauwkeurig en met meesterhand getekend. De auteur baseert zich op een enorme hoeveelheid (deels nieuwe) bronnen en laat de lezer