Vergankelijkheid, een van de thema's van Versteegens voor de C. Buddingh'Prijs 1996 genomineerde debuutbundel Voorgoed volmaakt, treedt in Jonge meesters op de voorgrond. Het domineert in een reeks zee-gedichten, in herinneringen aan een verloren gegaan jeugdland en in de liederen over gestorven jongens waannee deze bundel besluit. Toch komt de vergankelijkheid nergens rechtstreeks aan de orde: ze wordt zichtbaar gemaakt in de vorm van suggestieve, bijna fotografische beelden.De visuele helderheid waaraan deze poëzie haar overtuigingskracht ontleent, is terug te vinden in de beschrijvingen van het verleden (een grootmoeder is een 'besnorde, vredige reuzin') en van het heden: zo wordt in de reeks 'Amsterdammertjes' een beeld opgeroepen van twee sterk uiteenlopende kunstwerken als een grafittischildering van een jonge meester in de metro en een stilleven van een oude meester in het Rijksmuseum.Maar de jonge meesters zijn ook op een andere wijze aanwezig: als zwijgende, blonde