Lodewijk van Hoven speelt met zijn viool de sterren van de hemel, de mussen uit de lucht en de tegels uit de stoep. Als hij met zijn vriend Benzo muziek maakt, beginnen de mensen te dansen. Midden op straat doen ze de pindapolka, de tomatentango en zelfs de ingewikkelde pasjes van de mayonaise. Zijn ouders zeggen dat hij een wonderkind is. Maar die zeggen zoveel en doen rare dingen. Gelukkig krijgt Lodewijk van Hoven een vriend, een man die verstand heeft van muziek. Het is de man van de koninging en aan hem heeft Lodewijk veel te danken.