In 1762 verscheen een tractaat, gericht tegen de invloedrijkste onder de filosofen: Reflexions critiques sur le premier chapitre du VIIe volume des oevres de M. Voltaire, gedrukt te Amsterdam. De auteur was: Isaäc de Pinto, parnas van de Portugese gemeente te Amsterdam en lid van het college van hoofdbewindvoerders van de Vereinigde Oost-Indische Compagnie. Hij schrijft: "Voltaire kan zijn veroordeling van de Joden wel afsluiten met de opmerking, dat het niet geoorloofd is om Joden te verbranden. Maar hij verbrandt hen (door hen van alles en nog wat te beschuldigen) met zijn pen. En dat is nog wreder dan verbranden met vuur. Want het effect van het geschreven woord gaat over op de volgende generatie. Wat moet men van het blinde volk verwachten, opgehitst tegen de natie, die toch al zo'n ongelukkig lot heeft, als zulke afschuwelijke vooroordelen hun autorisatie vinden door de pen van het grootste genie uit de meest verlichte eeuw?" De woorden van Isaäc de Pinto zijn in het