De Italiaanse renaissance heeft een 'gouden tijd' gekend. Grote namen, bij iedereen bekend, Michelangelo, Rafael, Leonardo da Vinci roepen de gedachte op aan een enorme culturele rijkdom: Mona Lisa, Cenacolo, de Stanzen; de Sixtijnse kapel, de Sint Pieter.Waarlijk een gouden tijd, doch merkwaardig is het dat zulk een grootse artistieke Prestatie valt in een periode die in geestelijk opzicht een dieptepunt is geweest. Namen als die van Alexander VI en Julius II spreken in dit opzicht voor zichzelf. Soms lijkt religieuze diepgang om gekeerd evenredig met artistieke visie, met name bij de leidslieden der christenheid. Zo was Leo X een wereldling en als herder van Christus' kudde onwaardig en onbekwaam, nochtans een groot mecenas en bevorderaar van de kunst. Het stralend monument, de Sint Pieter, de eeuwen door het voornaamste heiligdom der katholieke christenheid, heeft een origine die in de historie onafscheidelijk verbonden is met geldmakerij~, aflaatkramerij en moreel bederf.