Als het werk van een nieuwe Prometheus, die te midden van zijn generatiegenoten het vuur van de poëzie brandende hield, begroette Simon Vestdijk in 1940 het debuut van Bertus Aafjes (1914-1993). Wiel Kusters, dichter, essayist, poëziecriticus en redacteur van De Gids, constateerde in een essay hoe boeiend het werk van Aafjes is gebleven, niettegenstaande de verdere ontwikkeling van de Nederlandse poëzie; Kusters waardeert de ongeëvenaarde evocaties van het gecompliceerde geluk, die Aafjes´ werk onmiddellijk herkenbaar maken. In deze uitgave van zijn VERZAMELDE GEDICHTEN 1938-1988 heeft Bertus Aafjes alle poëzie bijeengebracht die hij tot zijn oeuvre wilde rekenen; het is een dichterlijk levenswerk dat in zijn ´dichterlijkheid´ direct aanspreekt en grotere verspreiding blijft verdienen.