Iedere zomer brengen de mensen gewonde en zieke jonge vogels naar Reinhart Brandau die ze dan liefdevol opvangt en met een groot geduld verzorgt. Duizenden vogels werden door hem gestreeld, gevoerd en vaderlijk toegesproken. Allemaal hebben ze een eigen geschiedenis, karakter, avontuur en verhaal. Ze slapen in wollen sokken en mutsen en landen kwebbelend op zijn knie. In zijn volières aan de rand van het bos wonen de koolmeesjes, merels, eksters, duiven, uilen, raven, lijsters en winterkoninkjes tot de dag dat ze zelf weer naar de hemel kunnen vliegen. Soms wonen ze bij hem in huis. Reinhart Brandau verstaat de wilde vogels en fluistert met hen over de geheimen van het leven en het mysterie van de dood. Wie hem ooit met de vogels samen heeft gezien, wordt stil en betreedt de geheimzinnige binnenwereld van de natuur. Sprookjesachtig, fragiel, ontroerend en tijdloos. En zo zijn zijn tedere verhalen waarin `niets` lijkt te gebeuren en waarvan je tegelijkertijd hoopt dat ze nooit zullen