Met grote ogen nam Anneke de jongen op die naast de schouw stond. Zijn gladde, wasachtige gezicht. Zijn ietwat scheve ogen, glinsterend als glas. Het sluike, blauwzwarte haar waar de oren als puntige lepels doorheen staken. Het was het merkwaardigste kind dat ze ooit hadden gezien. Mijn naam is Landolino, zei hij. Jij hoeft je niet voor te stellen. Ik weet al hoe je heet... Wie bijt er straks bij Anneke Tax, twee gaatjes, klein en fijn? Dat zal ik, dat zal ik, dat zal ik, dat zal Landolino zijn.