Deze autobiografische vertelling gaat over buitengewone innerlijke belevenissen van een mens, die in het derde levensjaar door een beslissende gebeurtenis uit het kinderlijke schemerbewustzijn ontwaakt en zich plotseling afvraagt: waar was ik vroeger? Dan begint de jacht naar het verloren volledige bewustzijn. Sinds deze dag ziet het kind de wereld met andere ogen dan de mensen uit zijn omgeving. Zo observeert de vierjarige kleurig ineengestrengelde krachtstromen, die ze de 'levenstoverkracht' noemt. Ze beleeft het wakker blijven bij het inslapen en neemt daarbij gestalten waar met afschuwelijke tronies, die opduiken voor de ingang tot de 'wereld van de werkelijkheid'. Daarachter ontvangt zij het 'eerbiedwaardige Licht', dat haar bij haar pogingen tot een ethische zelfopvoeding bevestigt. Een belevenis in het tiende levensjaar wordt toekomstbepalend. Over zulke belevenissen hebben filosofen als Plotinus of dichters als Novalis bericht. Hier bericht een kind daarover hoe het iets